‘Is ze ziek?, vraagt hij belangstellend.
‘Ik weet het niet, ze kan soms plotseling lange tijd voor zich uit staren. Ze staat dan ruw op en kijkt al maar in de verte. En vorige week kwam daar iets vreemds bij, mijnheer Daumer. Haar rechterhand hing slap langs haar lichaam en dan trok zij met haar vingers alsof zij een pistool omklemde en dc haan spande. Het is beangstigend en alleen het roepen van haar naam brengt haar met een schok tot de werkelijkheid en tot zichzelf terug. Ik ben bang voor de toekomst,’ besluit Jannetje zacht. Anatole heeft Isaac veelbetekenend aangekeken.
‘Je moet haar vragen naar een dokter te gaan,’ zegt de Fuentes vriendelijk. Jannetje haalt de schouders op.
‘Met welk doel, mijnheer de Fuentes, geen dokter zal haar kunnen doen vergeten wat zij heeft meegemaakt. Daar is geen hulp voor. Wij kunnen alleen hopen, dat het eerst na jaren zeer ernstig zal worden en zij tijd genoeg zal hebben gehad haar kinderen goed te verzorgen.’
De beide mannen zwijgen. Jannetje heeft juist gezien. Hier is geen genezing te verwachten, een behandeling zou misschien het ziekteproces nog versnellen.
Stil reikt Jannetje thee en koekjes en het is een verlichting als de klopper op de buitendeur haar wegroept voor de ontvangst van een nieuwe gast.
Het is de Rus Lachowitzky. Voorafgegaan door Jannetje, die tot zijn schouder reikt, komt de reus binnen, jongensachtig verlegen.
Het is een grote verrassing, dit weerzien van Lachowitzky en de Fuentes na zoveel jaren.
‘U?, is de verbaasde vraag van de Rus als hij naar Isaac staart. ‘Ik, de Fuentes,’ is het korte antwoord.
Er heerst stilte. Anatole en Jannetje zien elkander ongerust aan, want de gezichten der beide mannen voorspellen niet veel goeds. ‘U wilt mij verontschuldigen, kolonel?’ vraagt de Rus.
‘Nee, dat wil ik niet.’
Wederom heerst er stilte, terwijl de beide mannen elkander met de ogen aftasten. Dan glimlacht de Rus en zegt zacht:
‘Na dertig jaar heeft het geen doel meer. Dan wordt het lachwekkend om het panorama van de geschiedenis met wraak te overzien. U was een goede Fransman en ik een trouwe Rus.’ ‘Een en twintig doden staan te Uwen laste,’ beschuldigt Isaac ruw.
111