Het is nu zo in den huize Davidson geworden, dat Rebecca de zaken voert en Jacob zich meer en meer met de studie der heilige boeken en de kerkzaken bezighoudt en dit schijnt goed te passen bij hun beider geestesgesteldheid.
Ook is er de gebeurtenis geweest met Jannetjes zuster. Met een der retourschepen van Piets rederij is de zuster met zes kinderen uit Amerika teruggekomen.
Deze familie woont sinds enige tijd op het Westnieuwland en de vrouw drijft een zaak in zuivelproducten, waarvoor Jannetje het kapitaal tegen bescheiden rente heeft geleend.
Zij was naar Amerika gegaan met haar man en kinderen en zij hadden land toegewezen gekregen in het verre Westen van de Staten. Vol moed en werklust hadden zij dit ontgonnen. Toen de eerste moeilijke jaren voorbij waren, kwamen de verbeten opgejaagde Indianen in opstand en overstroomden het pas opengelegde gebied.
Als versteend heeft Martha de hofstede zien verbranden, het instortende dak bedekte haar man en zijn vijanden, de Indianen. Later hebben zij de verkoolde resten ter aarde besteld en daar, ver weg in de Staten, op een verwilderde ontginning, onder ruwe stenen en een houten kruis is een graf. Op het kruis staat geschreven:
‘Klaas de Niet stierf voor zijn gezin, anno 1842.’
Isaac wacht zijn gasten in de zitkamer, die Jannetje met haast benauwende stiptheid voor een ontvangst in gereedheid heeft gebracht. Anatole Daumer komt als eerste.
‘Alles wel, Jannetje?, vraagt Daumer, ‘ook met je zuster en de kinderen?’
‘Over het geheel genomen wel, mijnheer, hoewel mijn zuster mij de laatste weken niet zo bevalt.’
‘Wat is er dan?, vraagt Isaac enigszins kortaf. Hij merkt op, dat Jannetje heip nergens over gesproken heeft en op een eerste vraag van Anatole uitvoerig antwoordt. Jannetje is in deze dingen vreemd tegen hem geworden sinds het verhaal over haar leven. Ze zal tegen vreemden veel eerder vertrouwelijk zijn dan tegen hem. Jannetje antwoordt niet. Het is alsof zij niet spreken kan als Isaac haar begint te ondervragen. Anatole wuift haast onmerkbaar met de hand naar Isaac om hem te verzoeken te zwijgen en het vragen stellen aan hem over te laten.
110