Isaac de Fuentes praat en praat om de beide mensen het idee uit het hoofd te brengen, dat hun zoon in den vreemde ten onder zal gaan. Hij haalt talloze voorbeelden aan en vertelt van zijn eigen begin. Het helpt ook niet, dat hij hen erop wijst, dat zij nog meer kinderen hebben, want halsstarrig komen zij steeds terug op Jozef.
Isaac heeft hen dan nog eens gewezen op hun andere kinderen en hen er haast ruw aan herinnerd, dat ook deze rechten hebben en thans gevaar lopen door de koestering van een vermeend verdriet te worden verwaarloosd.
Rebecca heeft hem vreemd vijandig aangekeken en zonder nog een woord te zeggen heeft zij de kamer verlaten, het aan de hulpeloze Jacob overlatend dit gesprek te beëindigen.
Isaac is niet lang meer gebleven. Hij heeft Jacob bemoedigend op de schouder geklopt en gezegd:
‘Als de eerste brief komt, dan spreken wij elkaar nader!’ en is daarop heengegaan. Geen woord heeft hij gezegd van het ongeval met Eli.
Anatole heeft de afgesproken morgen in het Zuid-Hollands Coffy-huis tevergeefs gewacht op de Fuentes en ongeduldig, boos en niets vermoedend omtrent de reden van Isaacs wegblijven, xS hij naar de haven getogen, omdat hij zich nu eenmaal in het hoofd heeft gezet zijn Russische rabbijn nog eens te spreken. Hij heeft hem weergevonden in het barakkenkamp en de pijprokende reus heeft hen. begroet als een oude bekende.
Er gebeurde verder iets wonderlijks. De Rus gaf hem vrijwel bij het begin van het gesprek te kennen, dat hij er voorlopig niet aan dacht door te reizen naar Amerika, maar eerst eens hier in Holland ging leven en rondneuzen. Het leek hem een best land. Waarom zou hij in den vreemde, weliswaar in een ander kleed, direct weer in zorg en armoede beginnen?
Anatole heeft hem gevraagd, waarvan hij dacht te gaan leven in deze stad, waar de bevolking de dood heeft aan nietsnutten. ‘Weest onbezorgd, heer Consul,’ heeft de Rus hem gezegd, ‘men wil zich de eerste tijd met mij amuseren en daar heeft men geld voor over. En de eerste, die dat doet, zijt gij, mijnheer de Consul.’
Verbaasd heeft Anatole hem aangekeken en geheel sprakeloos heeft hij de rabbijn horen voortgaan:
105