Isaäc de Fuentes

Titel
Isaäc de Fuentes

Jaar
1952

Pagina's
324



bonkten. Hij dronk hem toe en vroeg of hij nog meer zoons kon weg helpen.

Hij ging in zijn dronkenschap zover om geld te eisen van de vader, omdat hij het veel te goedkoop had gedaan.

Het is Jacob onduidelijk geweest hoe hij uit de kroeg is gekomen. Hij kon niet bij de deur, want de gasten drongen hem terug en de dronken matroos trok hem met zijn gorillahanden steeds weer naast zich op de bank. Maar hij heeft nog een vage herinnering aan een opgedirkte waardin, die zijn bedrongenheid had gezien. Deze vrouw heeft de zeeman hardhandig van Davidson gescheiden en Jacob naar buiten geloodst met een bemoedigend knikje en een klapje op de schouder.

Het landverhuizersschip. Hij is naar de ligplaats gerend, nacht-blind, struikelend over stoepen en zich bezerend aan muren en bomen, door hei-geroep van passanten weerhouden om in het water te lopen. Maar het schip was er niet meer. Een verlaten kade, een kabbelende, onheilspellende donkere rivier, klotsend tegen de beschoeiing.

Hoe lang hij er gestaan heeft, weet Jacob niet.

Bij de synagoge aan de Boompjes gekomen, heeft hij er even stil gestaan en een strijd met God schoot in zijn gemoed. God, zijn Toeverlaat, zijn Steun, zijn Alles en Alles, heeft hem verlaten, hem, Jacob Davidson, die zo zijn best heeft gedaan. Heel zijn leven. Hij dwaalde verder langs de oude havens, zoekend en vragend naar een antwoord voor deze straf, die zijn God hem weer had opgelegd.

‘Wat is het dan gewreest, O Heer, was ik niet gelovig in Uw Almacht, was ik niet trouw aan Uw eredienst, was ik niet milddadig, niet zedig, niet eerlijk in wandel en handel? Was ik geen goede man en vader? Geef mij toch antwoord, O God, O God in de Hemel, geef mij toch antwoord; hetzij goed of slecht want ik buig mij voor Uw Almacht!’

Hij tast zijn gehele leven af en vindt geen fout. Maar dan antwoordt het Opperwezen aan Jacob, zoals Hij het de aartsvaders heeft gedaan: ‘Jacob, Jacob,’ roept een Stem in hem en Jacob antwoordt in de stormachtige wind, prevelend in het Hebreeuws: ‘Hier ben ik.’

En de Stem gaat voort:

‘Waarom vraagt gij, Jacob! Ik ben de Eeuwige, Uwe God, Ik heb U gegeven en Ik kan U ontnemen naar het Mij goeddunkt.

103
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt met OCR (Optical Character Recognition).
Deze techniek levert geen 100% correct resultaat op. Dat betekent dat er onjuiste tekens in de tekst kunnen voorkomen.


Weergave
Afbeelding / Tekst (OCR)

Alle boeken in deze digitale bibliotheek kunt u gratis lezen of downloaden. Met een vrijwillige donatie helpt u ons met het in stand houden en verder uitbreiden van de bibliotheek. Klik hier als u een bijdrage wilt overmaken.