prettig gestemd over de raadgevingen, die zijn zelden aanwezige compagnon hem geeft.
Bij het afscheid vraagt Van SLiedrecht, hem eens thuis te bezoeken, als Eli genezen zal zijn.
Isaac heeft geen rust alvorens hij Jacob Davidson zal hebben bezocht en ondanks het feit dat de laatste dagen vol van allerlei zijn geweest, begeeft hij zich die middag nog naar de kleine kerkvoogd in zijn nieuwe woning in de Wagenstraat.
Jacob ontvangt hem met een zo grote treurigheid, dat Isaac er stil van wordt en het gevoel heeft een sterfhuis te betreden. Het was een grote slag in Jacobs leven. Langzaam is het feit van Jozefs vlucht hem geopenbaard geworden. Eerst verliep het tijdstip, waarop Jozef placht thuis te komen, zonder aandacht. Teen verliep het eerste half uur, de eerste schuchtere ongeruste vraag van Rebecca en het geruststellende antwoord van Jacob. Er ging meer dan een uur voorbij en de vraag van Rebecca was nu bezorgd en het antwoord van Jacob werd onzeker. En nog een uur ging voorbij, waarin Rebecca vele malen naar het venster liep en Jacob ongerust in de straat is gaan staan en links en rechts heeft uitgekeken. Om negen uur des avonds pakte een woeste angst Rebecca en zij wilde de stad in om navraag te doen. Maar Jacob heeft gezegd rustig te zijn; hij heeft haar zelfs bevolen thuis te blijven, want hij, de man en vader, ging op onderzoek uit.
Deze tocht zal Jacob nimmer vergeten. Het hoofd der school wist van niets en verwees hem naar een schoolvriend van Jozef. Deze vertelde hem, dat Jozef plannen had om te gaan varen en Jacobs hart stond een ogenblik stil in zijn benauwde borst. De schoolvriend wist ook het adres van een kroegbaas, die voor de reders aanmonsterde en waar Jozef eens was geweest.
Dapper heeft Jacob Davidson zich erheen gehaast; hij heeft zich door het lawaaiige en lachende varensvolk moeten wringen om over de toog de kastelein te kunnen ondervragen.
Deze heeft niet veel tijd voor hem over gehad en hem afgesnauwd met de mededeling, dat hij zijn zoon niet had gemonsterd. Maar er was een halfdronken varensgast, die Jacob vertelde, de jongen aan boord van het landverhuizersschip te hebben gesmokkeld en dat hij zich nu hier van het verdiende geld heerlijk bedronk. Hij lachte terwijl zijn zware handen van pret op Jacobs schouders
102