delen, meneer Koerlander, anders kom ik niet rond met mijn werk.’
‘Stel het in. Zie hoe het loopt!’
‘Zoals u wilt.’
‘Nou, heren, voorlopig kunnen jullie vooruit.’
‘Ik zou het wel denken, meneer Koerlander!’
Ik pakte een presse-papier, gaf een dreun op de tafel, zei: ‘Vergadering gesloten.’
‘Is er geen rondvraag, vader?’ vroeg Joop verbaasd.
‘Nee. Er is koffie met boterkoek. Beneden in de “saloon” van mother Debbie. Come on, boys!’
‘Yes, mister Cartwright,’ zei Geber en stond op.
Toen reikte hij me de hand, zei heel ernstig:
‘Ik ga morgen Kaddisj zeggen op vaders graf. En vertellen dat een Goël is gekomen om ons van jarenlange zorgen en vijandschap te bevrijden.’
‘Omein,’ zei Josafat.
Stil ging ik hen voor naar Debbie. Die wachtte met stralende ogen.
We zijn op reis gegaan.
We hebben ons niets aangetrokken van het geklets en het geknoei van Hunne Voortreffelijkheden en de afgevaardigden. We hebben geen geloof gehecht aan beloften voor een zuinig beheer in staat en gemeenten. We hebben aanvaard dat er geen geboren regenten meer zijn, die de spreuk op het stadhuis van Alkmaar waarmaken: ‘Als het gemeen u roept, bezorg het als uw eigen’.
We zullen na onze terugkeer weer bitter glimlachen om de holle woorden: algemeen belang, samenbundelen en overkoepelen. We zullen ons ergeren om het ge-
288