Das Dreimaderlhaus.
‘Dat is de rest,’ vulde ik haar aan.
We keken wat sip op onze borden. Debbie roerde langzaam in haar soep. At bijna niet.
‘Eet, Debbie. We moeten voort.’
‘We willen voort, Mare. Moeten niet. We waren een generatie.’
‘We moeten en we willen voort. Leef! Dat is het gebod voor de mens. Voor ons, joden, bijzonder.’
Opeens begon ze te huilen.
‘Huil niet, kind. Count your blessings.’
‘Doe ik, doe ik. Maar soms is het zo zwaarmoedig om te beseffen dat het tellen van de zegeningen toch uitkomt op voorbij.’
Ik keek naar haar. Zo zwaarmoedig heb ik Debbie zelden gezien. Ik streelde de hand, die zo doelloos op de tafel rustte. Tegen melancholie helpen woorden niet veel. Men kan er alleen tegen vechten met een tijdelijke verandering van omgeving.
‘Debbie, nadat Salomon weer hier gelogeerd zal hebben, gaan we een beetje reizen. Chaim heeft zijn gezin, Judith haar Joop, David z’n Steffie. We hebben elkander en de wereld. Je mag kiezen waarheen je wilt.’
‘Parijs en Londen. Mensen zien, mooie dingen zien.’
‘Oké, meisje. Zolang je wilt. Alles loopt, alles heeft z’n instructies. En geld hebben we gelukkig ook.’
Ze stond op. Gaf me een zoen, die een beetje nat was door haar tranen. Toen vroeg ze:
‘Heb je Liepmann ook geregeld?’
‘Dat doe ik morgenochtend. Geber en Josafat heb ik hier uitgenodigd.’
‘Jij ook?’
282