Judith deed bijzonder haar best om haar oom Salomon prettige dagen te bezorgen. Zij reed hem naar alles wat hij nog eens wilde zien en al het nieuwe waarmee men bezig is. Amsterdam, Rotterdam, de Zuiderzeewerken, het Deltaplan. En Salomon, die z’n vrouw en wat warmte van zijn dochters miste, voelde zich als een kater bij de warme haard.
Op een avond zei hij tijdens de maaltijd:
‘Judith, schatzeponempie, je komt in mijn testament.’
Ongelovig keek Judith hem aan. Ze antwoordde:
‘Eerstens blijft u leven tot honderd jaar en tweedens hebt u zelf vier kinderen, unbeschrië.’
‘Ondanks je twee paragrafen is er toch nog plaats in mijn testament. Zo is de Amerikaanse wet.’
Judith keek op haar bord. Met een ernstig gezicht. Waaraan dacht ze? Salomon, de kater bij de haard, spinde verder:
‘En hoe, als je trouwt een huis van je oom Salomon.’
Met een ruk van haar hoofd keek Judith op, riep:
‘Hou nu op, oom.’
‘Nee, doe ik niet. En bij elk kind een mooi spaarbankboekje als verrassing bij zijn meerderjarigheid.’
Voldaan veegde Salomon met zijn servet langs zijn mond, zei nog:
‘En dat is dat.’
Hij was ook te gast bij Chaim en Francina. Weer liet Chaim hem halen met de Bentley. Toen hij de volgende avond verslag deed aan Debbie schudde ze bij sommige
203