27 juli 1966.
Ik ben weer terug. De talrijke malen dat Debbie op Schiphol zei: ‘Gezond weeróm, Mare/ haar met tranen overdekte gezichtje en de Engel des Heren behoedden mijn reis. Mijn kinderen waren er bij de afreis en de thuiskomst. Chaim met zijn Francina, Judith met haar Koerlander-kracht en een nerveus vertrokken gezichtje, David bij de afreis alleen, bij de terugkeer met zijn Stephanie. En Ruben was bij mijn terugkomst. Geëmotioneerd, de oogopslag een beetje wild, zijn hoed nonchalanter op de volle witte haren, zijn grijze snor ruiger. Hij vroeg bijna onmiddellijk na de begroeting:'
‘Zijn ze tot de tanden bewapend?’
‘Ik geloof het wel, ik geloof het wel/ antwoordde ik wat kleintjes.
‘Fijn, fijn/ gromde hij in zich zelf en knikte vele malen.
En Salomon was gekomen. Een grote verrassing. Salomon. Een rots. Een zware kerel met een grote rust. Met een aangeboren beheersing. Met een ontzagwekkende levenservaring. En de levenswijsheid van een oudste van Israël. Zeventig jaar.
‘Salomon, wat een verrassing!’ riep ik en schudde hem de hand alsof hij me van de verdrinkingsdood had gered.
‘Wacht dat af, Mare. Ik blijf drie weken. Prepareer je daarop.’
‘Altijd dezelfde/ zei ik glimlachend.
‘Dat is makkelijk voor jullie. Een berekenbare factor.’
161