Ik nam een appel, schilde en at en stelde haar niet te-leur. Het deed haar kennelijk goed, want zij knikte mij een paar keer toe. Toen ik gegeten had, zei ik:
״Laat me nu Joab begroeten.”
Ze werd op slag weer vijandig. Ging voor een deur in de hoek staan, ineengezakt, vermoeid, maar moedig.
״Wat wil je toch van Joab? Over die brief?”
״Reina, die brief was een angel. Ik heb hem uitge-trokken. Hij doet geen pijn meer.”
״Heb je hem verscheurd?” vroeg zij gretig.
״Nee. Het is de enige brief van mijn vrouw, die be-houden bleef. Al de andere zijn... ja, waar zijn ze? Weg-gesleept met alles wat wij hadden, ons archief, onze ge-bedenboeken, onze correspondentie, alles in zakken ge-stopt en naar de voddenkoopman. En de papiermolen in. Formulieren van gemaakt, Reina. Vorderingsbevelen, bijzondere ausweisen, orderbrieven voor de collabora-teurs, doodvonnissen voor de verzetslieden. Die brief, het enige handschrift van Channah, is niet meer dan een aandenken, de laatste schakel tussen een geest en een mens.”
״De laatste schakel... ook tussen Joab en haar en die schakel heb ik verbroken” zei ze tevreden.
״Reina, er is nooit iets geweest in haar huwelijk. Ik weet het zeker.”
״Hun hele leven waren zij bij elkander, al zagen zij elkander bijna nooit. Als ik in een jeugdige opwelling Joab aanhaalde, in de hoop dat het voorbij zou zijn, dan voelde ik dat hij schrok, dat hij verkilde, dat hij er niet bij was. Oh ja, hij wasvriendelijk en geduldig. Luister je, Gideon? Geduldig als zijn vrouw hem een beetje lief-koosde.”
96