vreselijke naam... Gideon... die naam... die naam. Die naam tolt maar rond in mijn hoofd tot mijn dood... tot mijn dood.”
Zij sloeg de handen voor de ogen. Wiegde heen en weer in niet te stuiten smart en opstand. Toen keek ze mij aan. In de schemer van deze kamer zag ik de vale vlek van haar gezicht, nat van tranen, de oude ogen gloeiden. Ze drukte haar vuisten tegen de slapen. Snel volgden de woorden:
״Ik heb het Opperwezen vervloekt, ik heb het Opper-wezen ontkend. Er is geen God... ik heb dat uitge-schreeuwd... daar in Maidanek, daar tegen de zon, tegen de wolken, tegen het blauw van de hemel. Maar er is wél een God! Hij liet mij niet sterven. Hij liet Joab leven. De hachelijkste momenten gleden wij door, soe-pel bijna, luchthartig. Links en rechts, voor ons en achter ons, vielen de mensen bij honderdduizenden en wij... Joab en ik, wandelden door het Gehenna en von-den elkander terug. Waarom Gideon, waarom?”
Zij strekte haar handen naar mij uit alsof ze mijn ant-woord daarop wilde wegen. Ik zweeg, ieder antwoord zou te licht bevonden zijn. Ze hinkte wat radeloos rond de tafel, maar opeens herleefde er iets van de oude Reina Da Fonseca, de gulle vrouw uit een geslacht dat gastvrijheid als een hoge plicht had beschouwd. Ze opende de deur van het vervallen mahonie buffet, pakte een fruitschaal en plaatste die op tafel. Er op lagen vier kleine appeltjes. Ze pakte een oud mes, een theeschotel-tje en een papieren servetje en zette het voor mij op tafel.
״Eet wat Gideon, misschien komt er nog eens een tijd, dat ik beter kan uitpakken,” zei ze mat. Ze keek nauw-lettend toe of ik van haar armoede zou aannemen.
95