״Gideon... of moet ik zeggen, meneer Levano?’
Ik maakte een afwerend gebaar. Zij ging voor mij staan. Ze had geen figuur meer, een ingezakte oude vrouw, zij boog iets voorover, de handen in de zij. Ze vervolgde:
״Goed Gideon, wat wil je van hem? Genoegdoening? Na veertig jaar soms een duel? Twee Spaanse hildago’s op de vuist om een vrouw, die al jaren dood is? Die, als ze nog leefde, even verlept en afgeleefd zou zijn als ik. Herinner je je me nog, Gideon? Herken je nog Reina Lopez Suasso, slank, donker, met een licht matgele glanzende huid, een fijne gebogen neus, prachtige wenk-brauwen en een mond als een roos, zo was ik toch Gideon?”
Ik keek haar aan. Het vonkte even in die oude ogen, één moment was daarin de jeugd.
״Wil je een bejaard man de les lezen, Reina?” vroeg ik bits.
״Nee. Vergeef het me, Gideon, ik heb zelfs verleerd een gesprek te voeren.”
Zij keerde haar gezicht naar het venster. Dit treurige profiel zal ik nimmer vergeten.
״Reina, waarom gaf je die brief aan mijn secretaresse?”
״Ik wilde dat je zou weten, wat ik geleden heb. Tot Maidanek.”
״Channah is mij trouw geweest.”
״Dat weet ik. Joab heeft mij niet met haar bedrogen. Al die jaren heb ik naast hem geleefd, maar niet als zijn vrouw.”
״Waarom zijn jullie niet gescheiden Reina, in de twin-tigste eeuw is dat niet zo uitzonderlijk meer?”
״Ik was vroom. Was vroom. Tot Maidanek... die
94