Langzaam opende zij de deur, trad op zij.
״Ik heb je verwacht, na het bezoek van dat meisje.”
״Mijn secretaresse.”
״Of je maitresse. Ook een zorg. Wat wil je, Levano?”
״Je man zien en jullie helpen, nu ik dit gezien heb.”
״Wij hebben geen hulp nodig. Wie Maidanek en Bergen-Belsen heeft overleefd, heeft zelfs God niet meer nodig.”
Ik trad binnen. Daar was het venster en de twee meter zicht op de grauwe muur van de binnenplaats. Ik keek op, daar waren de houten balken, de middeleeuwen. Ik keek naar de grond, zag de brede planken, de middel-eeuwen. Ik keek naar het meubilair, versleten Bieder-meier, bijeen gescharreld op het Waterlooplein.
״Als je niet bang bent voor mijn luizen, ga dan zitten,” zei ze sarcastisch. Ik nam een stoel, een mahoniehouten ding met rood-pluchebekleding. Ik kon niet nalaten weer rond te kijken. Zij vervolgde:
״Je raakt nooit uitgekeken hier, Levano, want ieder ding wat je bekijkt wordt een film. Die tafel hier, dan denk je opeens aan de tafel van een van mijn voor-vaders, die magister in de wijsbegeerte was aan de uni-versiteit van Salamanca, een geleerd man en vermogend. Lopez Suasso, van Salamanca naar een krot in de rosse buurt van Amsterdam. En jij komt ons weer verheffen, wat een sprookje.”
Zij lachte opeens op een verschrikkelijke manier. Reina Da Fonseca-Lopes. Suasso was ergens ook waan-zinnig.
״Waar is je man Joab?”
Zij werd nu ernstig. Er was niets meer te bespeuren van het dwaze van daarnet.
93