korendragertreedjes en bovendien uitgesleten en ver-molmd. En al klimmende stelde ik me de vraag hoeveel mensen deze trap hadden gebruikt en hoe het mogelijk was dat een stadsbestuur zo iets nog duldde; honderden keuren en verordeningen hadden de hebzucht van de eigenaars en de luiheid der ambtenaren niet kunnen over-meesteren.
Ik belandde op een klein portaaltje, een tweede trap dwong mij verder te klimmen. Ik keek weer omhoog. Het was alsof die trap leefde. Een luguber monster. Hoe-veel mensen zou hij hebben opgezogen in de loop van vijf eeuwen en hoevelen weer uitgeworpen, dood of met verminkte ziel of beladen met misdaad en ontucht? In dit huis kon geen vreugde geleefd hebben, langs deze trappen was alleen ellende gevloeid. Een demon, die ook Enny Karsten had aangeraakt.
Ik stond op het portaaltje van de tweede verdieping. Verder kon ik niet stijgen in dit middeleeuwse huisje. Ik klopte op de deur. Behoedzaam werd zij krakend ge-opend, een oog in een reep vale huid gluurde mij aan. Lang. Er zijn momenten in het leven, dat de mens een flits ziet van een andere wereld. Die zag ik nu, de wereld van Jeroen Bosch.
Ik verzamelde mijn moed. Dat was geen gemeen-plaats, ik wilde mij niet laten omhullen, verstikken door de vreselijke sfeer in dat huis, die de handen klam maakte en de zintuigen bedwelmde. Ik verzamelde inderdaad mijn moed. En het was of ik daarna opeens gepantserd stond. Zo moet de middeleeuwer de duivel geweerd hebben.
״Doe open, Reina Da Fonseca. Ik ben Gideon Levano.”
92