een groot rijk, dat zich zelf dodelijk verminkte, ver-wekelijkt door snoep en sigaretten, auto’s en radio-straatzangers. En de ethiek van huilerige minister-presidenten.
Ik zag mijn huis. Geroofd door de Teutoon, geheeld door een naoorlogse parodie op een rechtbank, niet terug bevochten door mij, die te veel geld bezit.
Lange tijd heb ik naar de gevel gestaard. Ook mijn huis krioelde van brave huisvaders, broeierige jongens en hittige meisjes. In de mooiste kamer huisde de streber, zijn glanzende auto stond voor mijn deur.
Ik liet mijn geest los...
...Ik betrad de stoep, doorliep de marmeren hall met de kostbare betimmering. Daar was het kamermeisje en zij hing mijn jas en hoed in de garderobe. Ik toefde even voor de notehoutcn klok. De scheepjes boven de wijzer-plaat dansten en slingerden onder de volle maan en de sterren. Ik trok mijn horloge en vergeleek de tijden. Ik liep voor.
Daar was Channah in zwartzijden robe met een brede witte kraag, want het was vrijdagavond. Zij boog haar hoofd en ik kuste haar waar de rechte haarscheiding begon. Ik zag weer meer grijze haren dan verleden week.
Ik trad onze woonkamer binnen. Alles was gereed voor de sabbat, die nog geduld werd in mijn huis om der wille van Channah, want mijn geest was liberaal, een stadium voor het atheïsme.
Ik zag haar de kaarsen in twee zilveren kandelaars ont-steken. Toen zegde zij haar gebed, de handen wuifden zacht en sierlijk het licht naar zich toe.
87