gezicht. De laatste waren afkeer en angst. Ik rees op en liep op haar toe en greep haar bij de schouders.
״Waarom kijk je zo?”
״De wolf!”
Ze rukte mijn handen van haar schouders. Keerde zich om en vluchtte mijn kamer uit. De deur liet ze achter zich open.
Ik ben aan het dolen geraakt door deze nieuwe stad, die geen eigen gezicht meer heeft, die River Town kan heten of Puerto del Maas of onverschillig welke naam kan dragen, en die geen Rotterdam meer is. Alleen het Schie-landhuis en de St. Laurens herbergen nog de zielen van honderdduizenden uit eeuwen en eeuwen.
Ik zat op een bank bij het beeld van Zadkine. Ik keek er naar op, naar dat wanstaltige bonk brons met het ver-wrongen smoel in doodsnood en haat, dat opengereten lijf, die afwerende beschuldigende handen naar de bommenwerpers en God de Almachtige, de Heer der heerscharen... ״Ik zal u wegdoen van voor Mijn Aan-gezicht”. Dat beeld is mijn stad en mijn leven.
Ik liep over de Glashaven, waar het stamhuis stond is water; ik liep langs de Boompjes, waar de synagoge stond is nog steeds de kuil met de hondendrek en de bezoedelde kranten. Ik liep langs de Willemskade met de vervallen huizen der verjaagde patriciërs, uiterlijk nog als vroeger, maar toch deed het denken aan de af-gehakte arm van een lijk.
Ik belandde op de Parklaan. De huizen zijn de huizen, maar binnen werken de massa’s, eten hun brood uit plastic zakjes. Hier woonden de havenkoningen bij hun broodwinning, de rivier. Nu zijn het de sterfkamers van
86