zich toen hoofdpersoon waande. En grootvader Gideon, deze door en door fatsoenlijke bankman, wat zou hij ge-gevoeld hebben, toen hij de oude Lissauer weer hielp met een vaktechnisch niet verantwoord krediet?
Ik nam weer plaats en staarde voor mij uit. Dit was de nuchtere waarheid, nooit ben ik de eerste geweest in Channah’s gedachten, ondanks dat zij mij trouw was tot in de dood.
Ik bladerde weer verder, niet meer geïnteresseerd in de mens Joab Da Fonseca, zonder medelijden of ont-roering voor zijn helletocht naar Westerbork en Mai-danek. Ik bladerde verder. Zocht de slotstukken van het dossier. Het laatste blad. Joab Da Fonseca leefde. In Amsterdam, arm, geestelijk gestoord. Zijn adres was de laatste regel boven de handtekening, waarmee Enny Karsten haar speurwerk had afgesloten. Een oude in-structie van het huis Gideon Levano & Zonen, dat alle rapporten voluit ondertekend moesten zijn.
Ik sloot mijn ogen. Ik haalde Joab Da Fonseca terug uit het verre verleden. Floe hij flaneerde over de Blaak. Een rijzige kerel met ravenzwart haar en donkere bo-rende ogen, met een geestige mond en een sprankelende humor en nu... geestelijk gestoord. Ik opende mijn ogen weer en bladerde opnieuw in het dossier. Las nog-maals en nogmaals de brief van Channah, de tragedie van drie mensenlevens. Was dit de oorzaak, dat Enny Kar-sten het dossier maar stilletjes had neergelegd en waren mijn theorieën van daarnet alleen maar psychologische kwakzalverijen? Bescheidenheid of grote zellïngeno-menheid? Kolder! Die kleine secretaresse had een fijn gevoel en tact. Maar hoe had zij het klaar gespeeld om die brief te vinden? Fien hele stad platgebrand, tiendui-
«3