Ik zag Mordechai en hoorde het ‘Feuer’ en de karabijn-schoten.
Ik zag Sara’s rug. Eén in een gelid van vier. Twee stoere Israëli’s op de flanken.
Marcherend over een boomloze woestijn. Naakte ber-gen dreigend in de verte.
Ik opende mijn ogen.
En zag een hoopje grijze ellende, schokkend van ver-driet.
Reina Da Fonseca.
Geplaatst in mijn huis door het Opperwezen.
Om mij te beletten Sara te zoeken en mijn Gehenna te verlaten.
287