Het was of Reina mijn gedachten raadde. Haar zachte woorden zweefden zo vreemd naar mij toe.
״Ga naar Israël. Sara zal verrast en verheugd zijn.”
״Mijn plaats is hier.”
״Ben je bang, dat ze je kwetsen zal?”
״Ze heeft nee gezegd, zonder mij pijn te doen.”
״Een vrouw wil niet goedkoop zijn. Daarom vlucht ze soms en wacht.”
״Ik heb geen recht op Sara. Haar plaats is naast een jongere man.”
״Wil je niet een beetje egoïst zijn, Gideon?”
״Ik geloof, dat ik dat al meer dan genoeg ben geweest in mijn leven.”
Wij zwegen. Ik bleef turen naar al die welvaart van tuinen en landhuizen, die mij plotseling tegenstonden en die ik zou willen verlaten. Zwerven. Te voet, meteen bundel aan een stok, in oude kleren, met niets anders dan een brood en een kruik water, weg van hier, weg van het goud der Levano’s. Weg van mijn herinneringen, weg van die oorlog en van die pogrom. Weg! Waarheen? Ben ik een dier, dat zich losmaakt van de kudde om ergens eenzaam te gaan sterven? Kan ik geen mens tus-sen mensen meer zijn? Komt er een tijd, dat de mens van alles afscheid moet nemen? Van de herinnering aan het meisje uit zijn jeugd, en de kinderen die zij hem baarde?
Weer was het alsof Reina mijn gedachten raadde.
Is deze helderziendheid de heraut van haar dood?
״Vergeet, Gideon. Hun as is verstrooid in de wind. Dat was de wil van de Almachtige. Gehoorzaam. Leef zo lang je ademen kunt.”
Leef! Kan men leven op bevel, als het leven niet alleen bestaat uit eten, drinken, slapen en geld verdienen? Kan
284