Ze tuurde maar steeds naar het plafond, dacht na over het verschil tussen verbanning en gevangenschap.
״Misschien ben ik te fel of te helderziend,” zei ze.
״Reina, als je beter bent, gaan wij er heen. Welkom of niet.”
Ze begon weer zachtjes te lachen, sloeg kinderlijk een hand voor de mond. Riep:
״Gideon, Gideon, heeft Sara’s pijl zo diep getroffen? Ik zal me haasten, dan kan je gauw alleen gaan.”
״Reina.”
״Een mens kan zijn dood versnellen door er naar te verlangen en er veel aan te denken. De geest is machtig, Gideon.”
Een beetje geërgerd stond ik op. Ik liep naar het ven-ster en keek over de tuinen en naar de boomgroepen, want ik zag de lente van de aprildag. Het verheugde mij niet, want ik dacht aan Sara, door Reina teruggeroepen en verschenen in deze kamer.
Sara. Ik zag haar Egyptische gezichtje, dat zo dikwijls van uitdrukking verwisselde, streng, militair, zakelijk, vrolijk, kinderlijk, intens vrouwelijk, lief, onderdanig. Ik voelde haar slanke, elegante linkerhand zich sluiten om mijn mond. Ik kuste weer die koele palm. Voorbij. Sara was opgenomen in het bruisende kolonistenleven, haar leertijd in Nederland vervaagde van dag tot dag. Misschien zou zij op een avond op haar balkonnetje glimlachend terugdenken aan die oude heer Levano, die zijn hart zo schroomvallig had getoond. En achter mij lag een gevonniste te sterven. Een moedige, eenzame ter dood veroordeelde. Haar lot, mijn lot. Twee eenzamen, samengebracht op één kamer door een machtige, on-zichtbare hand.