De jonge verpleegster keek mij vragend aan. Ik knikte toestemmend. Toen hielp ze Reina en verliet de ka-mer.
״Kom naast m’n bed zitten, Gideon.”
Ik gehoorzaamde, zoals ik als kleine jongen groot-moeder Judith had gehoorzaamd. Reina zat nu tegen de kussens geleund. Haar lange, zilverwitte haren vielen in twee dikke vlechten over haar schouders, haar han-den speelden met de zijden strikjes. Die vlechten gaven haar iets jeugdigs. Ze keek recht vooruit, zodat ik haar profiel zag, een fijne aristocratische lijn.
״Gideon, ik word niet meer beter. Ik weet door welke ziekte het Opperwezen mij weer tot stof wil maken. Een ziek hart en kanker, dat zijn de toegiften bij de kampen en de jaren met Joab. Laat mij naar een rusthuis brengen, zo’n echt sterfhuis voor ouden van dagen.”
״Nooit, Reina, ik laat je niet gaan naar een sterfkazerne. Straks, wanneer je beter bent, maken wij een lange com-fortabele reis. Als je wilt naar Israël. En als je wilt, blijven wij daar.”
״Wat fantaseer je toch, Gideon. Tweeoude )oden daar. Wij horen er niet bij. Wij zijn niet één volk. Er zijn ga-loeth-joden en Israëli’s. De lege, gebroken eierschaal en het kuiken, voila.”
״Je oordeel is hard, Reina.”
Ze keerde haar hoofd terzij om naar mij te kijken en opeens zag ik haar als oude joodse vrouw. Al het nog jeugdige was in een ogenblik verdwenen. Daar lag een stervende oermoeder met een visionaire blik.
״Je spreekt mij tegen, omdat je huivert voor de waar-heid, Gideon. Wat weten de Sabra’s van de gettojood? Hun kinderen weten nog minder, hun kleinkinderen
281