De mesjoggene Portegiez drukte een lichte kus op haar hand, omdat er even geen vier eeuwen waren ver-streken. Bij de aangrenzende bedden verstomde het ge-roezemoes. Op deze middeleeuwse prent hoorden wij niet thuis.
Reina is weer in mijn huis. In dezelfde kamer, waar zij woonde met Joab. Zij ligt er te bed. Een groot bed met een hemel. Een filmbed. De hele kamer is naar dezelfde stijl gemeubileerd, ik weet niet wat ik met m’n geld moet doen, daarom doe ik extravagante dingen, daarom verwen ik Reina Da Fonseca. Omdat zij Channah is en Thea en de tien meisjes en de Gideon Sisters en het Jopie... en Sara van Colmar.
Ik heb een dag- en een nachtverpleegster voor haar in dienst genomen, want haar toestand blijft ernstig. De doktoren halen hun schouders op en zeggen: ver-sleten, het kan kort duren maar ook jaren.
Het orakel van Delphi handhaafde haar autoriteit met dezelfde nietszeggende woorden.
Ik heb zo even mijn dagelijks namiddagbezoek aan Reina gebracht, ’s Morgens, voordat ik naar de bank rij, ’s middags als ik thuiskom en ’s avonds bij het thee-uurtje bezoek ik haar. Maar vandaag was ons gesprek zo hopeloos, dat ik al mijn wilskracht nodig heb om niet in moedeloosheid weg te zinken. Was Alphonse de Villeneuve maar terug uit Kanaan, wat zoekt hij toch bij die jonge, energieke Israëli’s, terwijl hier twee ver-sleten Joden zijn geestelijke hulp zo nodig hebben.
Toen ik binnentrad, zei ze:
״Zuster, help mij rechtop zitten en laat ons even alleen, wil je?”
280