״Tot het laatste, Gideon. Hoe heerlijk wordt alles ver-zacht door de poëzie.”
״Reina, het huisje is klaar en gemeubileerd. Er is een zonterrasje voor het naderende voorjaar. Ik ben geko-men om je naar je huisje te brengen.”
Ze antwoordde eerst niet. Het was alsof het niet tot haar doordrong. Toen zei ze:
״Verkoop het Gideon. Wat moet een versleten vrouw in een moderne bungalow en wie zal mij verplegen en wat zal dat allemaal niet kosten? Nee, verkoop het aan jonge mensen, die niet weten wat het woord Maidanek betekent.”
״Ik verkoop niets en over die kosten wordt niet ge-praat. Waarvoor dient al het geld, dat ik bezit? Moet ik het soms beleggen in Zuidamerikaanse steden, die nooit aflossen en nooit rente betalen?”
״Als je dat geld belegt in Reina Da Fonseca krijg je ook geen rendement, Gideon, maar wel een hoop sores. Wees maar gelukkig, dat de Zuid-Amerikanen dat nog niet als bonus uitkeren.”
We glimlachten, langzaamaan werd ze wat opge-wekter.
״Nou, wanneer zal het Reina Da Fonseca-Lopez Suasso uit Salamanca behagen, de karos van Gideon Levano van Toledo te bestijgen en, omringd door een kleine hofhouding, Vlaanderen te verlaten om haar resi-dentie te kiezen in het domein van de Heer van Wassenaar ? Of wenst zij een karveel om de reis over zee te maken?”
Ze stak mij haar hand toe. Ze lachte nu en ik zag weer veel van de vroegere bekoorlijkheid over het oude ge-zichtje vliegen. Ze zei:
״Je zou er toe in staat zijn, mesjoggene Portegiez.”
279