Dezelfde opstelling der bedden, dezelfde nonnetjes, hetzelfde drukke, gemoedelijke bezoek. Dezelfde uit-drukking op de gezichten van de zieken. De mens is niets veranderd, alleen zijn techniek is perfecter en nog gevaarlijker geworden.
Reina lag met gesloten ogen, ik keek lang naar haar, maar zij reageerde niet. Een non boog zich over haar heen en fluisterde haar iets in het oor. Toen draaide zij moeizaam haar hoofd naar mij toe, haar kinnetje begon te trillen. Ze glimlachte uitgeput en fluisterde:
״Der Weg zurück, Gideon. Salamanca, Antwerpen, Amsterdam, Amsterdam, Antwerpen... maar Sala-manca haal ik niet.”
״Waarom die lange weg naar Salamanca, als Wasse-naar zo vlak bij Amsterdam ligt?” trachtte ik vrolijk te zeggen.
״Gideon, Salamanca is een vrijplaats, Wassenaar niet.”
״De Officier van Justitie gelooft nu ook in een doel-bewuste ingreep van Joab zelf, Reina.”
״Sefardim kunnen zo elegant liegen,” zei ze met ge-sloten ogen.
Ik nam plaats bij haar bed. Het geroezemoes van de aangrenzende beddenkringen hoorde ik gelukkig niet, zo was ik verdiept in de aanblik van dit bundeltje ellende. Ik vroeg:
״Wat zegt de dokter?”
Ze lachte een beetje schamper, toen ze antwoordde:
״De mijne is de zwijgende medicijnman. Hij doet erg geheimzinnig en ik heb blijkbaar geen recht op mijn eigen kwaal. Maar hij bemoedigt oud moedertje, dat maar ligt en dut.”
״Gelukkig altijd nog wat poëzie, Reina.”
278