״Wat scheelt mevrouw Da Fonseca?”
״Ze is bij ons binnengebracht. Opgeraapt van de straat, als ik het zo noemen mag. Ze is heel erg ziek.”
Denkende aan de gebruikelijke code om iemand om-zichtig een dood te berichten, vroeg ik:
״Is mevrouw Da Fonseca reeds overleden, zuster?”
״Nee meneer, nee, maar het is heel ernstig. Een hart-aanval en de dokter vermoedt kanker.”
״Heeft mevrouw gevraagd om te komen?”
״Nee meneer. Ze praat bijna niet, maar wij wilden graag, dat u kwam. U bent blijkbaar de enige die ze kent en een mens moet niet zo eenzaam bij vreemden sterven. Daarom... wilt u komen?”
Ik drentelde op en neer. Reina, sierlijke, knappe Reina, een en al levenslust en nu bijna vijftig jaar later opgeraapt van de straat als een voddige zwerfster. Reina, vol idylle en illusie, getrouwd met Joab Da Fonseca. Reina, jarenlang worstelend om zijn genegen-heid te winnen en hem zijn liefde voor Channah te doen vergeten. Reina, beroofd en verjaagd door de Teutoon, Reina in een martelkamp, Reina bijna vijftien jaren in levensgevaar naast een agressieve, zwakzinnige man. Reina, de dappere. Ik zag opeens haar handen, zoals ze mij die voorgehouden had op de avond van haar vlucht. De handen van een moordenares, de handen van een engel. Ik hoorde weer mijn eigen woorden, mijn voor-spelling dat ze opgeraapt zou worden als een clochard. En even flitste het door mijn hoofd, dat dit meer bij haar paste dan toilet juffrouw ergens in een kelder van een goedkoop restaurant. Zelfs in de ondergang kan allure zijn.
״Ik kom, zuster.”
276