Toen vonkte het op een bijzondere manier in die groengrijze kijkers en het werd mij duidelijk. Dit meisje wilde toegelaten worden tot het vermogen der Levano’s, ten koste van alles. Ik fronste mijn wenkbrauwen en terwijl ik met de briefopener in de palm van mijn hand tikte, droeg ik haar op:
״U kunt de eerwaarde zuster verzoeken binnen te komen.”
Zij verliet mijn kantoor, kaarsrecht, vastberaden, zeker van haar doel, zeker van haar weg. Diana, de godin van de jacht. En ik verwachtte de non, niet zo zeker van mijzelf, nog voelde ik mijn vijfenzestig jaren niet.
De eerwaarde zuster trad mijn kantoor binnen als een volmaakte tegenstelling tot Diana. Klein, een beetje ge-bogen, een beetje sloffend met haar hoge schoenen, die een remedie waren tegen alle wulpsheid. Ik stond op, ze knikte een paar maal heftig bij wijze van groet. Ik liep op haar toe en leidde haar naar de bezoekersstoel bij mijn bureau. Toen ze zat, keek ze mij ernstig aan door haar goud-omrande brilletje. Ze had mooie ogen, haar gezichtje was nog gaaf, maar toch schatte ik haar tegen de vijftig.
״Wat kan ik voor u doen, zuster?”
״Kent u mevrouw Da Fonseca?”
Ik moet haar zeer verrast hebben aangekeken, want ze knikte een paar maal bemoedigend en begon te glim-lachen. Ze vervolgde:
״Gelukkig. Ik zie dat ik goed terecht ben. Mevrouw Da Fonseca ligt bij ons ziek, in Antwerpen. Met veel moeite zijn wij uw naam gewaargeworden. Zij is zo gesloten.”
275