״Meneer Levano, er wacht een eerwaarde zuster. Ze wil u spreken.”
״Waarover wil deze eerwaarde zuster mij spreken? Een intekening of een tombola voor een kindertehuis?”
״Ze wil het u alleen persoonlijk zeggen. Ze kan ook niet terugkomen, maar als u het te druk heeft, wil ze desnoods de hele dag hier wachten.”
Vluchtig bekeek ik de agenda. Het zou druk worden. Ieder kwartier was ingedeeld. Er ontglipte mij:
״Mejuffrouw Gardenier, u hebt niet veel medelijden met mij. Enny Karsten en mevrouw Van Colmar hebben nooit zo’n menigte bezoekers op mij losgelaten.”
״Ik geloof toch, dat mijn methode beter is, meneer Levano, het contact met uw zaken wordt er inniger door en het leidt u af.”
״Waarvan?” vroeg ik scherp.
״Van uw somberheid... en uw eenzaamheid.”
We keken elkander opeens aan. Haar groengrijze ogen waren ernstig en vastberaden.
״Wat weet u daarvan?” beet ik haar toe.
״Alles, meneer Levano. Wilt u de eerwaarde zuster even laten voorgaan? U hebt nog een half uur speling.”
Ik keek op mijn handen, die los over elkander op mijn schrijftafel rustten. Het was dus zover, mijn innerlijk was een publiek geheim. Ik voelde mij driftig worden om deze onbescheidenheid, maar tegelijkertijd over-dacht ik de onredelijkheid. Ik antwoordde koeltjes:
״Ik hoop, dat u die somberheid en eenzaamheid zo-veel mogelijk zult trachtten te verlichten, juffrouw Gardenier.”
״Ik ben geheel tot uw beschikking, meneer Levano, geheel.”
274