Nadat Sara haar plaats naast mij op de tredmolen ver-laten had, miste ik haar hevig. En ik stapte alleen voort van tree tot tree.
Opstaan, ontbijten, opgeslokt en uitgespuwd door het beest Cadillac, bank, rondgang van Pan, lunch met ge-spannen luisterende zakenlieden omdat aan Levano’s woorden wellicht iets te verdienen valt, bank, beest Cadillac en nek van Kees, aperitief, staren in het vuur, diner... alleen... weer staren in het vuur... alleen, sigaar, dutten... denken aan Channah en Els en Adam en Mor-dechai, bed, staren in ’t donker... alleen, denken aan de dood en afschudden van die gedachte, woelen, slaap-poeier, rust... rust en vergetelheid tot de bescheiden klop van Carolien.
״Zeven uur, meneer Levanoü”
״Ja, dank je, Carolien,” en tot Gideon Levano, ״eruit, ouwe heer, de tredmolen wacht... hij kraakt en piept die tredmolen.”
En tijdens het scheren kijkt een gezicht over mijn schouder. Ik schrik niet. Waarom zou ik schrikken van deze jonge heer, die toch al die jaren in mij is blijven leven. Al is mijn stoffelijk omhulsel tanig en gerimpeld, geestelijk ben ik nog vijfentwintig. Maar het Opper-wezen let daar niet zo op, Hij laat het vervallen decor domineren in de slotscènes.
De jonge heer grijnst en lijkt vaag op de Asmodee. Zijn ogen gloeien, wanneer hij zegt:
״De trede van de tredmolen is breed. Er is plaats voor twee... mannetje, vrouwtje... mannetje, vrouwtje. En die molen hoeft niet te kraken en te piepen, want met het goud der Levano’s kan men olie kopen... een villa in Zuid-Frankrijk, reizen, antiek... voor het vrouwtje op
269