niet meer bij. Het deed mij een beetje pijn, maar ik troostte mij met de gedachte, dat dit de laatste keer was. Een kleinzielige gedachte, die ik niet voorkomen kon.
We zaten in het restaurant, wachtend op de ijzige stem van de omroepster, een stem die een band tussen mensen breekt, soms voor jaren, soms voor altijd, maar ook een stem die mensen weer herenigt. Sara en mij scheidde die stem, ik vrees voor altijd.
Langzaam wandelden wij naar de machine. Sara liep tussen ons in. Welke vreemde opwelling, welke duivel liet mij citeren, die reeds jaren geen bijbel had aange-raakt? Die Sara bespot had wanneer zij een tekst zegde en haar vergeleken had met de zuurman en zijn tonnetje augurken. Ik citeerde uit Nehemia, hoofdstuk 4 vers 1: ״Maar het geschiedde als Sanhallat gehoord had, dat wij de muur bouwden, goo ontstak hïf, en werd geer toornig: En hij bespotte de Joden.
En sprak in de tegenwoordigheid fijner broederen en des heirs van Samaria en •geide: Wat doen dege amechtige joden? Zullen gij offeren? Zullen gij het in eenen dag voleindigen? Zullen gij de steenen uit de stojhoopen levend maken, daar gij verbrand gijn?-
Verrast keek Sara mij aan. Ze glimlachte stralend, toen ze vlot antwoordde:
״ Vreest niet voor hun aangegicht, denkt aan dien groot en en vreesdij ken Heere, en strijdt voor Uwe broederen, Uwe gonen en Uwe dochteren, Uwe vrouwen en Uwe huigen.”
267