zijn dan kapitein in het leger. Ons afscheid was tamelijk formeel. Het scheen me toe, dat Menachem opzettelijk vrij wilde staan van iedereen, behalve van Sara. De ma-nier waarop hij zijn arm om haar schouders legde en haar op de slaap kuste, duidde er op dat zij zijn alles in deze wereld was en dat hij haar omringde met zijn be-scherming. En Sara’s bedeesd vererende blik voor haar broer, toen hij zich had omgedraaid voor een laatste armzwaai, sloot mij volkomen buiten hun wereld.
Toen ik ’s avonds laat was thuisgekomen, wachtte Sara met de avondthee. Het was guur buiten, daarom viel de warme en gezellige sfeer van mijn huiskamer des te meer op. Ik nam plaats bij het open haardvuur en stak een sigaar op, terwijl Sara de thee serveerde. Wij praatten bijna niet, hetgeen mij verwonderde.
״Is er iets Sara, dat je zo stil bent?”
״Nee, meneer Levano,” antwoordde zij stug.
Ik dronk mijn thee, maar het hinderde mij dat Sara in haar geliefkoosde leeshouding hardnekkig verdiept bleef in een tijdschrift.
״Waar dacht je aan, Sara, daarnet?” begon ik weer een beetje geïrriteerd.
Langzaam legde zij haar tijdschrift neer. Een beetje verveeld. Toen keek ze mij pal in de ogen en zei:
״Aan mevrouw Da Fonseca.”
Het bonsde even in mijn borst, maar uiterlijk onbe-wogen dronk ik langzaam mijn thee.
״Wij hebben gedaan, wat wij konden, Sara.”
Meteen vlugge beweging stondzij op van de bank, ging voor het haardvuur staan, haar rug naar mij toegekeerd.
״Ga zitten, Sara. Dat staan daar is mij te beschul-digend.”
262