Ik wreef over mijn voorhoofd. Een hoofdpijn kwam op. Ik wuifde vermoeid met m’n hand, 20 hoort dat bij een oude man, die nog slechts behoeft te sterven.
״U is vermoeid, meneer Levano?”
״Ja, Menachem.”
Hij kwam naar mij toe en nam mijn hand.
״Ik wilde u niet kwetsen, meneer Levano.”
״Het is goed, dat jonge Israëli’s hard 2ijn, maar ver-geet nooit Menachem, dat doden mest zijn voor een volk, geestelijke mest, duizendjarige compost. Wel te rusten en ledig je asbak in de keuken. Om Sara, de vrome oermoeder, zonder haar kan Israël niet bestaan.”
Hij glimlachte niet. Ik liet hem alleen. Zijn wel te rusten drong nauwelijks tot me door.
...gekleed, getraind, gewapend. In mijn waakdroom dreunden deze woorden steeds in mijn oren. En ik zag in het donker van mijn kamer tegen de wand Channah, de verloofde van Menachem. Gekleed, getraind, gewa-pend. De handen omklemden het geweer, streelden het spelenderwijs. En mijn Channah kwam. Zij was naakt. In haar handen het stukje kleizeep, dat zij dodelijk ang-stig omklemde. En ik zag mijn Elsje, naast Channah van Menachem, gekleed, getraind, gewapend. En ik zag Sara van Colmar en haar dochter Ruth, gekleed, ge-traind, gewapend. In rijen van vier en op de flanken lenige jonge Israëli’s. Menachems, Benaja’s, Joabs, Josua’s, Avrohoms, Menasses. Een, twee! Een, twee!! Zoem... zoem... zoem... Ook hun laarzen dreunden. Hoofden rechts, hoofden links. Straaljagers gierden, stemmen gierden. De ontsnapte doodskreten uit de blauwzuurbunkers. Daverende tanks, daarachter mop-
260