zien. In de sadistenogen van de mof, het mes tussen de tanden van de Arabier. Ik heb de hoogmoed en de kilte gezien in de ogen van de Britse Intelligence Service Men. Ik verwacht niets meer. Ik vertrouw alleen nog op de berekeningen van onze Generale Staf en de kwaliteit van een handmitrailleur. Ik ben een wachter geworden over de jeugd van Israël en als mijn tijd gekomen is, hoop ik te mogen sterven in het veld. En ik zou geleefd hebben als een man. Een mannenleven met een doel.”
״Waarin geen plaats meer is voor een vrouw?”
״Waarin één plaats geweest is voor één vrouw en nooit weer zo’n plaats zal zijn. Sommige mensen weten waarom zij in deze schepping zijn en sommige willen het niet weten.”
Ik boog het hoofd. Was deze man helderziend? Had hij mijn leven bliksemsnel ontleed? Lag ik op de snij-tafel? Mijn weeldezucht, mijn conservatisme, mijn ge-brek aan moed, mijn ontrouw aan Channah, mijn be-schaving die een soort lafheid was, mijn twijfel aan de levenskracht van Israël. Toen ik opkeek, was er in zijn ogen iets van hulpvaardigheid, zo iets waarmee een jonge kerel een oude man door het drukke verkeer helpt.
״Was u jonger, meneer Levano, ik zou zeggen, leer schieten, leer uw drempel verdedigen in Israël.”
Er ging een steek door mij heen. Een felle prik in de hartstreek. Treurig, werkelijk bedroefd, antwoordde ik:
״Ben ik in uw ogen zo iets als moppen-Moos?”
״Nee, meneer Levano, want in moppen-Moos slui-merde duizenden jaren Benaja, de krijgsoverste van ko-ning David.”
״Is er plaats voor een oude man in Israël, Menachem?”
״Om te sterven, meneer Levano.”
259