heid? Maar ik bemerkte dat hij zijn ogen gesloten hield, de oermens zag nu zijn vijand, de verbrijzelde schedel, het geronnen bloed in het zand,
״En Channah?” vroeg ik en kuchte om het ener-verende tikken van de pendule niet te horen.
Hij keerde zich om en keek mij aan. Doordringend. Beet mij toe:
״Mijn Channah mocht gewapend sterven. Gewa-pendü Niet naakt gedreven in een blauwzuurcel. Ge-kleed, getraind, gewapend!”
Deze laatste woorden hadden een klank van triomf.
״...Het was voor de Sinaï-campagne. Ik heb de veld-tocht meegemaakt. Ik heb geen pardon gegeven. Nooit zal ik weer pardon geven... nooit!”
Ik stond op en keerde mijn rug naar het vuur en zo stonden wij tegenover elkander. Twee werelden. De overbeschaafde galoeth-jood en de Israëli! Ik zag deze harde man, die een nauwelijks getrainde Egyptische boer op de korrel nam en hem neerschoot als een haas. Ik zag hem stappen over een stervende, onbewogen, met het beeld voor ogen van zijn Channah in de laatste seconden van haar leven. In de lichtflits van de wacht-toren. Ik zei, en het klonk niet overtuigd:
״Er moet weer pardon komen, Menachem. Is dit ons leven geworden? Wij waren een gedachten gevend volk.”
Hij neep zijn ogen, een onaangename glimlach was om zijn mond. Hij deed een stap vooruit. Hij was ont-roerd, hetgeen mij verwonderde.
״Deze generatie kent nog geen pardon. Pardon is goed voor onze kleinkinderen. En gedachten gevend? Voor wie? Jezus Christus is door zijn volgelingen ver-
257