opgewekte kleuren. Er moet een voorvader in mij leven, die in die tijd met volle teugen heeft genoten en zich bedronken heeft aan al dat moois en hij moet intens ge-lukkig zijn geweest door de rust om hem heen. Bent u wel eens met een sjees door het boerenland gereden, langs kleine zijwegen, langs oude buitenplaatsen?”
Hij schudde neen met het hoofd en keek me onder-zoekend aan. Ook Sara bekeek mij stil en op een bij-zondere manier. Deze Gideon Levano kende zij niet. Slechts vluchtig had zij de achttiende eeuw gezien, maar nu wilde zij hem lang en ten voeten uit bekijken. Daar-om vroeg ze:
״Wanneer hebt u dat gedaan? Toen u jong was? Nu kan dat toch niet meer?”
Ik keek op mijn handen en dacht na. Als kind had ik met oma Judith die tochtjes gemaakt. Onvergetelijke herinneringen, maar die konden toch niet voldoende zijn om mijn leven lang een uitgesproken voorkeur voor een tijdperk in stand te houden. Bijna onmerkbaar moest ik glimlachen, want ik dacht terug aan mijn voorvader Gideon Levano, die mij had bezocht op mijn kantoor, in een droom. Het was deze voorvader, gekleed in zijn prachtig geborduurde vest en mij bekijkend door zijn lorgnon, die iets in mijn leven had beheerst. Zou mijn microarchief mij nog eens toestaan hem te zien en met hem te praten? Toen ik opkeek, zag ik hun ogen op mij gericht. Eén paar keek diep, tot in mijn binnenste. Het waren de ogen van Menachem. Hij vroeg:
״En meneer Levano. Wie heeft u zo even ontmoet?”
Ik legde mijn vinger op mijn lippen.
Sara ging tegen haar vaste gewoonte in om tien uur naar
250