״Het is toch geen misdaad,” verweerde 2e 2ich.
Nors zette hij het kapje op, nam plaats en keek mij aan. Dat was het sein, dat ik beginnen kon. Menachem was sportief, hij zegde de zegenspreuken, dronk van de wijn en at van het brood.
Er was iets ondefinieerbaars aan hem. hij praatte niet veel, het leek dat hij soms spottend naar ons keek. Een moeilijke gast en Sara deed zoveel mogelijk haar best om steeds nieuwe onderwerpen van gesprek aan te boren en ik hielp haar zoveel mogelijk. Het is pijnlijk iemand van goeden wille te zien worstelen met onwillig gezelschap.
Menachem was sober en at niet veel van de uitbundig-heden, die Sara opdiende. Ik was blij, dat de maaltijd ten einde was. Menachem bleef niet lang zitten, hij drentelde door de kamer en bezichtigde mijn schilderijen, het por-selein en glaswerk en vooral het ivoor in de achttiende-eeuwse buikkast. Hij had belangstelling voor antiek en daarom begeleidde ik hem door mijn huis en vertelde hem zoveel mogelijk over de herkomst. Nooit vroeg hij naar de kostprijs en dat verheugde mij. Deze rond-gang bracht ons wat nader tot elkaar en toen we weer hadden plaats genomen, begon ik langzaam met mijn verhoor. Even sloot ik mijn ogen, omdat ik denken moest aan Alphonse de Villeneuve.
״Verzamelt u ook antiek, meneer Van Colmar?”
״Een paar oude wapens.”
״Een wapencollectie?”
״Daarvoor heb ik geen geld. Zo nu en dan heb ik wat gekocht van Arabieren.”
״Mijn voorkeur gaat uit naar de achttiende eeuw. Ik ben gegrepen door die luchtige, verfijnde smaak en de
249