op de begraafplaats, toen ik gezien had, dat Menachem helemaal niet vroom was. Wat Sara van mijn suiker-zoete welwillendheid dacht, weet ik niet, maar ze ex-ploiteerde die handig en er werd mij terloops meege-deeld, dat het bezoek van Menachem zou duren van vrijdagavond tot maandagochtend. Ik nam mij voor minder te glimlachen.
Ik heb geen spijt gehad van Menachems bezoek. Ik heb veel gehoord en nog een paar illusies zijn vervlogen. Er zijn er nu nog maar zo weinig over en ze zijn zo nevelachtig, dat ik het gevoel heb, zonder te zijn. Zon-der illusies, dat is geestelijk naakt op de springplank naar het einde. Het is echter best mogelijk dat ik nog vijfen-twintig of dertig jaar op die springplank moet blijven staan. Het wemelt van ouden van dagen.
Menachem kwam voor sabbat. Sara viel hem op de stoep om de hals en zoende hem klappend links en rechts op de wangen. Ik dacht dat zo iets nog alleen in ouderwetse romans voorkwam, maar blijkbaar was er nog steeds niets in de wereld veranderd. Daarna gaf ze hem een arm en voerde hem binnen. Ze keek zo opge-lucht, dat ik onwillekeurig zei:
״Zuster Anna, ziet hij is gekomen.”
Menachem knipoogde naar Blauwbaard en Sara bloos-de. Maar haar broer bleef ze toch stevig vasthouden.
Voor Menachem had Sara ook een zwart kapje achter de hand. Toen ze het hem gaf om op te zetten bij de aanvang van de maaltijd, aarzelde hij. Daarbij keek hij haar onderzoekend aan. Sara sloeg de ogen neer. Ze was nu bijna onderdanig, vooral toen ze fluisterde:
״Toe nou, Menachem.”
״Het wordt steeds heviger bij je, Sara,” zei hij streng.
248