Tranen stroomden over Sara’s gezichtje. Ze keek op naar het licht van de kaarsenkroon, haar gebalde vuis-ten geheven. Ze schudde ze dreigend en riep uitdagend:
״Adaushem... was het niet genoeg?!”
Hier stond niet meer Sara van Colmar, de oud-sergeante van het Israëlische leger, maar een Sara uit een getto, in laaiende opstand tegen het Opperwezen. Ze sloot de ogen. Haar mond vertrok een beetje om de tranen weg te likken. Een diepe smart lag over haar ge-zichtje. Gefascineerd bleef ik kijken, want dit was Maria, de Moeder van Josua van Nazareth.
Toen ze haar ogen opende, was ze weer Sara van Colmar, de sergeante. Met een paar snelle, lenige passen liep ze de kamer uit. Ik hoorde haar even in de gang, blijkbaar bezig met mantel en regenkapje. Toen het dichtslaan van de buitendeur. Een grote neerslachtigheid en een schuldgevoel overviel mij. Had ik dan weer eens gefaald als man? Er bestond blijkbaar toch nog iets an-ders dan opvoeding, hoffelijkheid en dat krankzinnige ontzien van iemands gevoelens en vrijheid van wil. Soms moest een man toch ruw handelen om een onge-luk te verhinderen? Waarom had ik Reina niet beet-gepakt en naar haar kamer gejaagd? Desnoods ruw ge-vloekt als een matroos tegen zijn onwillige meid. Op-voeding, Sefardise traditie, allure, stijl, beschaving die verwekelijkt.
En al die gedachten verhinderden mij om spontaan en wild naar buiten te snellen, zoals Sara had gedaan. Ik volgde, hoedje op, winterjasje aan, vooral halsdoekje om, paraplu in de hand... De oude heer Gideon Levano ging op zoek naar zijn logée, die geagiteerd zijn woning had verlaten. En buiten schold ik tegen mezelf. God-
242