״Nee, je hebt geloofd, dat ik komedie speelde. En in deze toestand kon je niet anders denken, maar ik ver-telde de waarheid, Gideon. Ik wil nu weg. God geve, dat ik gauw verongeluk. Vaarwel.”
Zij wuifde vermoeid met de hand. Ik deed een paar stappen. Versperde haar de weg. Zij hief de handen op, hield ze voor mijn ogen.
״Kijk, Gideon, dit zijn de handen van een moordenares en een engel. Ga nu op zij. Ik wil weg. Ik stik hier van ellende.”
Verbluft liet ik haar de weg vrij. Dit verwrongen, intens droevige vrouwengezicht toonde de ziel. Reina Da Fonseca speelde geen komedie. En een wanhopig mens verliet mijn woning.
Toen Sara was thuisgekomen, kreeg ik mijn bezinning terug. Ik vertelde haar wat er gebeurd was. Ik zag haar nerveus worden. Iets dat ik bij haar nog nooit had op-gemerkt. Sara’s gevoelens waren altijd ongecompli-ceerd, zij kon driftig worden en gauw huilen, maar ge-spannen zenuwachtig had ik haar nog nooit gezien.
״En u liet haar gaan?” schreeuwde zij.
״Ja, ik ben gewend op niemand druk uit te oefenen, zelfs niet op mijn personeel. Wie vertrekken wil, gaat.”
״Dat zieke mens, deze halfmesjogge zielepoot liet u gaan in de nacht... zonder... zonder...”
Sara kon de juiste woorden niet vinden, zo hevig was zij van streek.
״Zij wilde weg. Ze zou hier stikken van ellende, zei ze.”
״Nebbisj... nebbisj, bijna 70 jaar en dan zwerven met niks... met niks... God in de hemel, wat doet u.”
241