de rabbijn en de andere orthodoxe heren zich ook te goed konden doen.
Dat dichtgelode zakjes en kosjer vaatwerk iemand konden opwinden was na lange jaren een hernieuwde ervaring. Oma Judith had zich ook eens bijzonder op-gewonden, toen ze haar keukenmeid had betrapt met rauwe kalfslapjes op een visschaal. Glimlachend om deze herinnering ging ik op zoek naar de kosjere brood-jes en de menslievende hospita. Ik vond geen van beiden.
״Sara, heb je het juiste adres genoemd?”
״Natuurlijk wel.” Sara huilde. Sara begint steeds meer te huilen. Zij begint iets van het soldateske te verhezen en dat staat haar wel goed. Wij ondervroegen haar hos-pes, die de begrafenis ook had bij gewoond. Hij haalde verveeld zijn schouders op. Blijkbaar was hij blij een paar uur ontsnapt te zijn. Toch ging hij telefoneren en deelde ons mee, dat zijn vrouw zo juist was weggereden met het ‘Geschirr’ en de kosjere broodjes. Zij had in de veronderstelling verkeerd, dat de begrafenis om twaalf uur zou plaatsvinden. Een uur later.
״Zo iets heeft ze altijd,” zei hij weer schouderop-halend en zijn vrouw verradend.
Vreemd is het leven samengesteld. Onder mijn dak leefde een vrouw, die misschien haar krankzinnige man had omgebracht uit liefde. En het belangrijkste waren nu kosjere broodjes in dichtgelode zakjes.
Tot Sara’s hernieuwde ontsteltenis weigerde Reina op het sjiwwe-stoeltje plaats te nemen.
״Maar mevrouw toch.”
En Sara’s blik dwaalde door de kamer op zoek naar steun bij de gelovigen. Reina bleef standvastig. Ze ging zitten op mijn plaats aan het hoofd van de tafel en zo in
236