hoorde de suizende stilte. Mijn linkerhand werd koud. Het was of iemand hem pakte en mij dwong op te staan, mij zachtjes meetrok naar de kast met de joodse boeken.
Lang stond ik voor de glazen deuren en zag mijn spiegelbeeld. Een dorre, lange man, met donkere oog-holten, met lichtelijk ingevallen wangen, met een zilver-wit kneveltje, met vele rimpels aan de slapen, met een benige oude kin, met een gelige huid.
En die man daar had zich verbeeld, dat een jonge joodse vrouw op hem verliefd was. Langzaam werd mijn rechterhand opgeheven en ik opende de boeken-kast. Onfeilbaar zeker nam die hand een gebedenboek. Mijn ogen richtten mijn vingers, die de bladzijden zoch-ten met het gebed voor de dode. Ik sloop naar de hall en nam mijn hoed. Keerde terug. Het gebedenboek nog steeds in de hand en mijn wijsvinger op de bladzij met het gebed.
Met bedekt hoofd zegde ik Kaddish voor mijn doden, mij niet bekommerend of dit volgens gebruik of ritus was.
Ik zegde Kaddish voor mijn doden...
Ik was niet de enige, die Joabs laatste gang begeleidde. Alphonse de Villeneuve, David Katz en Sara’s broer, Menachem, waren gekomen. Wij droegen de baar naar het graf. Achter ons volgden Reina en Sara en mijn huispersoneel. Een kleine stoet.
Alphonse de Villeneuve was er uit volle christelijke overtuiging. Ik keek tersluiks naar hem. Hij liep kaars-recht met een bijzonder ernstig gezicht. Met vaste hand omklemde hij het draaghout van de baar. Wat was deze man gelukkig. Geen troebele gedachten, geen opstand
227