Ik dineerde alleen. Reina was doodmoe na al de emoties ingeslapen. Sara werd door trouwe Kees naar Rotterdam gereden, want ze wilde wat kleding en nachtgoed halen en tevens haar hospita op de hoogte stellen. Ik ver-wachtte haar niet eerder dan elf uur terug.
Terwijl ik langzaam mijn dessertkoffie omroerde, dacht ik er over na, dat Sara ongenood hier kwam loge-ren. Beschouwde zij het als vanzelfsprekend, dat zij dag en nacht in mijn nabijheid moest zijn? Ik had toch geen verlies geleden? Hoewel ik vanmorgen diep be-gaan was met de ellende van Reina, was mijn ontroering toch niet zo alarmerend, dat ik bewaking nodig had. En te regelen viel er niet veel meer. Bijna alles was ge-daan en Joab moest alleen nog maar worden begraven en daarvoor zorgden geoefende vaklieden. Nee, er was iets met mijn Sara, ondanks haar woorden over verlangen naar de banksleur. Wilde ze bij mij zijn, omdat ze wist, dat ik een paar dagen niet naar kantoor zou gaan en dat ik dus thuis hulp van een secretaresse nodig had? Maar dat gesprek met Anna? Ik geef graag honderd gulden meer... IK geef... IK. Had Sara plannen met mij? Had zij een nieuw visitekaartje in haar hoofd? Mevrouw Sara Levano-van Colmar?
...Channah was in de kamer. Zij nam plaats aan mijn rechterhand, haar vaste plaats. Ze deed suiker in mijn kopje en schonk voor de tweede maal in. Voegde room toe. Nadenkend, niet opkijkend van het blanke tafel-linnen. Ik keek naar Channah. Wat was zij grijs ge-worden, wat was haar kinnetje oud en haar halsje dun en uitgeteerd, haar schouders waren zo mager en ik zag de botten onder het gestreepte kampjak. Er liep een
225