״As u hier de lakens komp uitdele, dan gaan ik.”
Waarop Sara haar neersloeg met:
״Je opvolgster geef ik graag honderd gulden in de maand meer, graag.”
Daarna hing Anna in de touwen. Honderd gulden meer in de maand was voor haar in de toekomst ook bereikbaar. De barmhartige zei:
״Ik laat meheer niet aan u over. Dat hebt-ie niet ver-diend. Ik blijft.” En ze stond op voor de tweede ronde, ergens in de toekomst.
Deze dialoog had Sara voor mij bewaard en hij werd mij opgediend, toen, na mijn terugkeer, wij Reina Da Fonseca op haar kamer hadden gebracht.
״Er verandert dus niets, Sara? Een prettige gedachte na al de narigheid van vandaag.”
Ik voelde, dat ik Sara teleurstelde. Ze had verwacht, dat ik haar regentschap gedurende de begrafenisdagen formeel zou hebben afgekondigd in de keuken. Ik had er helemaal geen zin in. Ze moest die dagen maar de facto regeren. Ze aanvaardde het met de woorden:
״Ik zal ook blij zijn als alles voorbij is en ik weer mijn dagelijkse werk bij de bank kan doen. Een huishouding zou niets voor mij zijn, nee, die ben ik ontgroeid.”
״Ontgroeid? Hebt u dan een huishouding gehad?” vroeg ik.
De blik, waarmee ze mij aankeek, zal ik niet gauw ver-geten. Ik moet wel iets bijzonder kwetsends hebben ge-zegd. Zonder nog een woord aan mij te verspillen, ver-liet zij de kamer en terwijl ik naar de dichte deur staar-de, besefte ik, dat ik heel weinig van mijn Sara’s leven wist.
224