Gelukkig pikte zij nu geen bijbeltekst uit de ton, maar met haar woorden wilde zij mij toch tot in mijn uiterste vezels doordringen van haar onverwoestbaar vertrou-wen in de Schepper en gelijktijdig wilde ze mij mijn goddeloosheid goed doen beseffen, maar omdat mijn vezels oud en niet meer elastisch zijn, drong er niets in door van Sara’s vertrouwen. En ik bleef, wat zij verslijt voor goddeloos.
Onderweg naar de politie, met de vertrouwde nek van Kees voor ogen, besefte ik opeens dat Joab Da Fonseca helemaal niet meer meetelde. Joab, in de rouwkamer, was alleen nog maar aanleiding, een voorwerp waar omheen zich een reeks handelingen ging afspelen. Wij hadden daar net zo goed een bloemenvaas voor kunnen nemen. Joab in zijn kist betekende voor niemand meer iets, zelfs niet meer voor Reina. Zij zou straks beginnen met de herinnering te leven.
Maar de spelen, die de mens zich gemaakt heeft, moe-ten volgens de regels worden gespeeld, anders is er helemaal niets in het leven en dus zou Joab moeten wor-den begraven volgens een der ceremoniën, die de mens zich heeft gefantaseerd om hem te vergezellen van de wieg tot het graf. Zelfs tot na het graf.
Voor mijn vertrek naar het politiebureau had ik Sara verzocht mijn huishouding weer op gang te brengen, want mijn verzorgingsploeg Anna-Carolien-Jopie sa-voureerde blijkbaar haar treurigheid in hun zitkamer bij zachte bronstliederen uit de radio en veel koppen koffie. Dat mijn agressieve Anna deze overdracht van gezag niet voetstoots zou aanvaarden, had ik moeten voorzien. Uit-dagend en van haar macht bewust, moet Anna in de ring getreden zijn en als eerste en enige stoot gezegd hebben:
223