heren. Eén was winkelier, een ander ambtenaar bij de gemeente. Een derde hoogleraar in de oude talen, een vierde knecht bij de visafslag, de vijfde een zeer voor-aanstaande beursman en de zesde een kleermaker. Hun plaatsen in de maatschappij telden niet. Zij waren vrome loden, die een gestorven geloofsgenoot de laatste dienst kwamen bewijzen. Nadat ze grootvader verzorgd had-den, gingen zij bijna geruisloos heen, weer zonder groet, met in hun harten de voldoening een mitswe te hebben gedaan...
Sara van Colmar kende precies het verloop van deze dienst en bijna op de minuut beduidde ze mij bij de sterfkamer te wachten totdat men mij zou binnenlaten. Toen de deur geopend werd, wenkte een van de heren mij en ik trad binnen. Hij wees zwijgend naar een witte slaapsok. Ik herinnerde mij, dat ik grootvader Gideon eveneens een slaapsok had aangetrokken, de laatste eer van een kleinzoon, bewezen aan zijn grootvader.
Joab was reeds gekleed in het lange doodshemd, zijn gezicht was verhuld door een witte doek. Het enige wat ik zag van het stoffelijke overschot was joabs voet. Snel deed ik de slaapsok er om en verliet de sterfkamer. Joabs voet, mijn eigen voet, ik sta dicht bij de dood...
Toen de kist was gehaald om in de rouwkamer te worden bewaard tot de dag der begrafenis, kwamen er vrouwen van een schoonmaakbedrijf. Sara had terecht voorzien, dat mijn huispersoneel het voorlopig te grie-zelig zou vinden om de sterfkamer te reinigen. Na de werksters verschenen er mannen met nieuwe matrassen en dekens. Binnen enkele uren herinnerde niets meer aan Joab.
217