rijen, waarop de kamers uitkomen. Nu, terwijl ik on-derzoekend opkeek, voelde ik mij als een cipier van een gevangenis, die loerend de cellen controleerde.
Ik riep op bescheiden toon. Er kwam geen antwoord. Ik riep harder. Het bleef stil. Ik vergat Joab op zijn sterfbed en riep overluid:
״Anna! Carolien! Jopie!” Vooral dat ,Jopie‘ kwam mij opeens vreemd voor. Luid roepenom blonde, slanke Jopie was iets voor een nozem. Ik riep weer, maar nu alleen om Anna en Carolien.
Jopie kwam te voorschijn. Ze keek over de leuning in de diepte. Mijn blik omvatte haar. Haar blote schou-ders met de dunne bandjes van haar beha. Door de smeedijzeren balustrade schemerden haar slipje, haar jarretelles en de lange zwartgrijze nylonkousen. Ze glimlachte, de loeder.
״Waar zijn jullie, wat doen jullie?” riep ik boos.
״Ik kleed me om. In het zwart. Er is een dode in huis,” fluisterde zij beheerst. Zij genoot nu ze mij, die vergat dat er een dode in mijn huis was, op mijn nummer zette.
״En Anna en Carolien?” Nu fluisterde ik ook beheerst en hard.
״Die zijn met de bus naar de stad. Ze hebben geen rouwgoed hier.”
״Waarom hebben ze het niet gevraagd?”
״Ze konne toch niet store, toen u verhoord wier,” fluisterde zij nu ook harder. Ze deed beledigd en steunde met gespreide armen op de balustrade. Ik zag het dons onder haar oksels.
״Kom beneden. Ik verwacht ieder ogenblik bezoek.”
״Zo? Als Mariene Dietrich?” Ze maakte met haar ge-zicht een uitdagende grimas.