rechtsgevoel zei me, dat in een geordende samenleving de daad van Reina ontoelaatbaar en strafbaar was. Ik nam plaats. Ongenood. Het schoot door mijn hoofd, dat ik ongenood in mijn eigen huis plaats nam op een van mijn eigen stoelen. Ik sloot even mijn ogen en zag bliksemsnel opdoemen een Levano als dajan in een rab-bijnenrechtbank, een Levano als rechtsgeleerde, weer een dajan. Ik zag grootvader met zijn uiterst en pijnlijk nauwkeurige eerbiediging van de joodse en landswetten en ik zat hier, overtuigd van Reina’s schuld, die juridisch niet te bewijzen was. Haar stelling was onneembaar.
Ze had geslapen en men kon toch diep slapen met het bedlampje aan? Vooral wanneer men zelf slaaptabletten had ingenomen, zoals zij beweerde...
Ik opende mijn ogen en voelde, dat de Officier mij al die tijd had geobserveerd. Ik vroeg op matte toon, omdat ik begrepen had voorlopig niets voor Reina te kunnen doen:
״Kan ik maatregelen treffen om de heer Da Fonseca te laten begraven, meneer de Officier?”
״Voorbereidende maatregelen, meneer Levano. Eerst moet er nog sectie worden verricht. U wilt mij wel toe-staan bewaking achter te laten?”
Ik knikte toestemmend. Een farce, uiteraard, want ondanks alle hoffelijkheid ging de justitie haar onver-biddelijke gang met of zonder mijn toestemming. Voor-dat Reina, klein en verloren tussen de forse rechercheurs, mijn huis zou verlaten, kwam zij mij de hand reiken. Zij huilde niet en zei met een droevige glimlach:
״Door de straten van Salamanca gaat de dochter van Avrohom Lopez Suasso naar de toren van de Moorse vorst.”
212