Ik zuchtte opgelucht, maar hij keek mij diep in de ogen, bijna onmerkbaar knikkend. Sarcastisch klonk zijn:
״Een strohalm, meneer Levano.”
Opvallend snel verliet hij mijn huis. Ik ging naar de keuken en stelde mijn personeel op de hoogte. Alleen van de dood van de heer Joab Da Fonseca, zonder enige bijzonderheid.
Zelden in mijn leven ben ik zo nerveus geweest. Zelfs niet in de dagen, dat de S.D. achter mij aanzat en mij opjoeg uit mijn schuiladressen. Ik dwaalde door mijn huis, terwijl Reina uiterlijk onbewogen haar garderobe en kleinigheden uit de sterfkamer droeg en zich instal-leerde in een logeerkamer, geholpen door Carolien.
Het Parket. Hoffelijke, ernstige heren, enige bejaard. Een omstandigheid, die mij verheugde. Het zou voor Reina niet zo zwaar zijn en er was een grotere kans, dat men haar begreep. Zij vertoefden slechts kort in de sterfkamer en betraden mijn werkkamer. De Officier van Justitie nam plaats aan mijn bureau en dit werd het uur van Reina Da Fonseca.
Na haar verhoor verliet zij de kamer, begeleid door een rechercheur en ik wist, dat de ervaren Officier de fatale vragen had gesteld en dat Reina vals had getuigd.
Na haar werd ik onderworpen aan een routineverhoor. Maar wat kan een man getuigen, die sliep, terwijl zich een drama voltrok in zijn huis? Daarom duurde mijn verhoor slechts kort. De Officier knikte mij welwillend toe, maar voordat hij mij verlof gaf de kamer te verlaten, zei hij:
210