״Er is geen redding voor Joab. Ik heb het aanvaard. Nacht Gideon en bedankt voor deze avond.”
Zij hinkte weg en toch was haar gang waardig. Ze bleef een dochter uit het Sefardise huis Lopez Suasso.
En het werd weer dag. Zes december. Toen ik mijn werkkamer betrad, zoals ik gewoonlijk doe voor het ontbijt, stond Reina Da Fonseca bij het venster en keek uit over mijn tuin en het bos er achter. Ze was in het zwart gekleed. Ze draaide zich onmiddellijk om en voordat ik goedenmorgen kon wensen, zei ze beheerst:
״Joab is vannacht gestorven.”
Ik kon mij niet bewegen. Even klopte mijn hart van schrik. Ik voelde het bloed uit mijn gezicht wegtrekken, want dit was het onheil dat gisteravond om mij heen was.
״Reina, wat is er gebeurd?”
״joab heeft van mijn slaaptabletten gesnoept.”
Vol ontzetting moet ik naar haar gekeken hebben, want ze glimlachte mat, toen ze uitzonderlijk rustig ver-volgde:
״Ik ben bereid, Gideon, wanneer de rechter mij schub dig acht.”
״Wat heb je gedaan ?” Ik riep het gesmoord. Misschien siste ik als een derderangs toneelspeler in een volks-drama. Ik deed een stap naar haar toe, greep haar bij de zielige schouders.
Ze bleef Reina Da Fonseca-Lopez Suasso. Met zachte hand veegde zij als het ware mijn greep van haar schou-ders.
״Het spijt mij, dat Joab in jouw huis is gestorven, Gideon, maar hij zou deze nacht in ieder ander huis ge-storven zijn.”
207