Reina had het bericht uitzonderlijk rustig aangehoord. Ik had dat niet verwacht. Ook de dokter had zij, zonder vragen te stellen, laten uitspreken. Bij zijn diagnose, zijn vonnis, boog zij het hoofd en wiste haar tranen weg. Joab was ongeneeslijk en gevaarlijk verklaard; de me-dicus durfde een verder risico voor de samenleving niet aan. Joab zou ten spoedigste moeten worden opgeno-men in een inrichting. Door Reina’s belofte en mijn oude relatie met deze dokter, had hij de politie niet betrokken in deze zaak, die feitelijk een poging tot doodslag door een zwakzinnige was. Met grote overredingskracht was het Reina gelukt de verpleegster te mogen wegsturen. Zij had immers reeds jaren haar man verpleegd en onder controle kunnen houden. Wantrouwig keek de dokter naar dat kleine verschrompelde vrouwtje, waarschuwde haar voor de krachten, die in de forse Joab konden los-barsten. Eindelijk stond hij toe, op voorwaarde, dat binnen enkele dagen het verzoek tot opname aan de ge-rechtelijke instanties zou worden gericht.
En nu zat Reina bij mij aan het haardvuur. Ik had haar de St. Nicolaaspakketjes overhandigd. Ze glimlachte droevig, terwijl zij de koordjes lospeuterde en toen ze de inhoud zag, was ze toch even opgetogen, met iets van een glans in haar ogen.
״Waarom dit, Gideon?”
״Waarom niet, Reina?” was mijn joodse wedervraag.
״Is er voor ons nog reden om te feesten?”
Ik herinnerde mij de woorden van Alphonse de Ville-neuve en ik vertelde Reina daarvan.
״Zo lang wij leven, moeten wij leven. Tot de laatste seconde trachten opgewekt te genieten van de gaven
201