laas, Baruch Lissauer, trad in vol ornaat binnen. Zijn donkere ogen tintelden van levenslust, zijn make-up was af. Baruch savoureerde altijd zijn pleziertjes grondig en ook nu had hij zich uitstekend gegrimeerd. Baard en snor waren vakkundig aangeplakt. Als speelse noot en om mij aan het lachen te maken, liet hij twee spierwitte slaaplokken vanuit zijn mijter langs zijn wangen bun-gelen. Als Zwarte Piet fungeerde het knappe kamer-meisje. Zij was blijkbaar iets te gevuld voor het Spaanse Morenpakje, zodat haar welgevormde dijen en benen bijzonder waren geaccentueerd en bisschop Baruch keek er steeds met welgevallen naar, onderwijl strijkend over zijn baard. Het keukenmeisje en de kinderjuffrouw volg-den met Channah, een glans van uitbundig plezier lag over hun gezichten.
Ik stond op, de kinderen drongen zich tegen mij aan. St. Nicolaas nam plaats op mijn stoel, Zwarte Piet stelde zich er achter op.
״De stoelen der huisheren zijn warm vandaag,” begon hij verwijtend. Zwarte Piet dook weg achter de stoel-leuning. Channah was naast mij komen staan, haar wan-gen waren nog nat. Zij had blijkbaar zo onbedaarlijk gelachen. Adam zag het en zei:
״Mamma heeft gehuild.”
״Ja,” antwoordde Sinterklaas, ״ja, je moeder is stout geweest, heel stout. Ze heeft haar broer, je oom Baruch, een prachtige zilveren sigarettenkoker beloofd, maar nog steeds wacht je oom Baruch. Als volgend jaar oom Baruch niet voldaan is, dan gaat moeder mee in de zak. Zal moeder daaraan denken, heel veel denken?”
״Ja Sinterklaas,” fluisterde Channah.
״En wie hebben wij daar? Is dat niet onze lieve Els?”
196